Van farm- naar citylife
24 januari 2017 - Bluff, Zuid-Afrika
Mijn vorige verhaal is al weer even geleden. In de verhuizing van het ene naar het andere project was ik helaas mijn laptoplader vergeten. Omdat deze projecten een uur van elkaar verwijderd zijn en de logistiek dus ietwat ingewikkeld is, heeft mijn lader eerst een rondreisje gemaakt voor hij weer bij mij terecht kwam. Inmiddels ben ik alweer een week aan het werk bij Wentworth, maar ik zal jullie eerst even bijpraten over mijn laatste week op Horizon. De laatste week was heerlijk. Het leven op de farm is weer druk aan de gang nu alle residents terug zijn en ook de therapieën en activiteiten worden opgepakt. Ik heb nog een paar hartverwarmende, hilarische momenten meegemaakt. Zoals lekker luide hitjes draaien en met caregivers en residents helemaal los gaan op de veranda. Bewoners in rolstoel werden eruit gekiept, zodat ze op de grond bewegingsvrijheid hadden. Sommige bewoners zijn motorisch zo’n gevaar dat je bij elke armbeweging vreest dat ze omvallen. Echter, met de handen in elkaar bleef iedereen stabiel en kon iedereen – echt Afrikaans – goed met de billen schudden. Daarna was het tijd voor karaoke. Zoals jullie inmiddels weten kan niet elke bewoners zich even goed verstaanbaar maken, maar schreeuwend karaoke is tenslotte ook karaoke. Muziek maakt hier zelfs de hevig gesedeerde mensen los en helder. Ook zijn we nog met alle residents naar de waterval gelopen, best een stuk voor sommigen die twee armen nodig hebben om te steunen. Maar een uurtje waterpret was een goede beloning!
Ik had in mijn laatste week ook het geluk dat er nog een weekendje Hluhluwe gepland stond. We sliepen in het guesthouse van Alec en Tracy, de Fever Tree House. Alec werkt 18 uur per dag. Hij heeft een architectenbureau in Durban, doet ontzettend veel liefdadigheidswerk en is chairman van Horizon Farm Trust. Doordeweeks slaapt hij bij zijn dochter in Durban, de weekenden gaat hij naar huis in Hluhluwe (zo’n 3,5 uur rijden), waar zijn vrouw een guesthouse runt. Hoewel ik me in eerste instantie opgelaten voel over de inbreuk op hun kostbare uurtjes family-time, nemen ze mij en collega Martijn op als familie. Alec staat in zijn vrije weekend rustig om 5.00 op om ons zes uur lang door het park te sjezen op zoek naar wild. Hij noemt dit zijn achtertuin (wat eigenlijk ook wel klopt) en maakt zelf nog enthousiast foto’s van elk vogeltje wat hij ziet. Hij neemt ons als zijnde zijn bloedeigen kleinkinderen mee op sleeptouw. We wandelen door een game reserve, waar Alec, die lid is van de orchideeënclub, elke twee meter stopt om weer een ‘MAG-NI-FI-CENT’ exemplaar aan te wijzen. Ook weet hij een strandje wat een waar openluchtmuseum is, want bezaaid met ammonieten, nijlpaardkarkassen, en de meest gigantische fossiele schelpen. Tracy is een powervrouw die jarenlang de wereld over heeft gereisd met haar Zulu-crafts. Ze heeft al deze kunstvormen, zoals kleurrijke kralenpakjes en gevlochten rieten manden, zich eigen gemaakt en bezocht met haar collectie talloze beurzen ‘overseas’. Tracy maakt elke avond de meest heerlijke gerechten en verrast ons overdag met een mangosmoothie met mango uit eigen tuin. Naast Alec en Tracy was er ook een neef en zijn vrouw op bezoek, wat het gevoel van een familieweekend (in plaats van toeristen) compleet maakte.
En waar je zou denken dat je in deze setting (in de middle-of-nowhere met vier personen ‘op leeftijd’) geen flamboyante figuren kan ontmoeten, think again. Dave de neef was namelijk een personage die zo uit de film is gestapt. Het is een erg vermogende man die half Durban bezit en er hilarische levensopvattingen op nahoudt. Hij reist de hele wereld over en komt in de grootste avonturen terecht. Toen hij in N-Z was en de autohuur belachelijk duur vond, heeft ‘ie maar een auto gekocht. Scheurt in korte broek op zijn motor met 200 km/u over de snelweg, maar vindt het drinken van alcohol slecht voor zijn gezondheid. Wanneer een zakenpartner hem belt tijdens onze safari, zegt hij dat hij een dier heeft gevonden met een grotere slurf dan hijzelf. Zijn vrouw Kate woont in Kaapstad en heeft als motto ‘grow a pair of balls’ en heeft toen iemand haar van haar telefoon wilde beroven, die persoon zo hard in zijn arm gebeten dat ‘ie jankend wegrende.
Je hoort unaniem dat je in dit land je niet naïef moet opstellen. Iedereen is wel een keer aangevallen of bestolen. Mensen hier bekijken het nuchter en zien het als een way of life om op je hoede te zijn. Zo moet je nooit met open ramen voor een stoplicht stilstaan en geen gouden sieraden dragen. Ook betreft corruptie is voorzichtigheid vereist. Zo moet je zorgen dat je nooit met een druppel alcohol achter het stuur kruipt, want hoewel het officieel toe gestaan is, wil je ze geen aanleiding geven om je zonder pardon in de gevangenis te gooien (wat gebeurt). Wanneer je vraag of dit geen reden is om ergens anders te wonen, kijken mensen je raar aan. Dit is nou eenmaal Zuid-Afrika. We praten ook over politiek en de historie van dit land. Tracy en Alec vertellen dat ze zich destijds actief tegen de Apartheid hebben opgesteld. Ze vertellen over de heftige bedreigingen die daarop volgden: hun hond vermoord, bakstenen door het raam, kinderen aangevallen op school etc. Wanneer we in een verhitte Apartheidsdiscussie belanden, rijden we bijna over een olifant heen. Hij is in zijn viriele periode en de geur van testosteronslijm wat in stralen op de grond gutst, schud ons weer even wakker.
Omdat deze mensen allemaal één of meerdere eigen bedrijven hebben, praten we over werkethos, culturele verschillen en racisme. Tracy legde het grote verschil in prioriteiten van Zulus als volgt uit. Historisch gezien leven de Zulus (zwarte mensen; ik zeg zwart, omdat ze het hier ook het onderscheid zwart-wit benoemen) in de tropenregionen. Vanwege het stabiele klimaat en continu vruchtbare omstandigheden, eet je wat je op dat moment hebt, terwijl wij noorderlingen gewend zijn aan voedsel opsparen om de wintermaanden te overleven. Dit zie je volgens Tracy ook nu nog sterk terug in mentaliteit. Als ze hun personeel werkkleding geven of spullen om te investeren, verkopen ze het direct weer. Wanneer je investeert in het opzetten van een winkeltje en ze vervolgens aanspreekt op het feit dat de wet wordt overtreden, zeggen ze: het is mijn winkel, daar heb jij niks over te zeggen. Gegeven is gegeven en wanneer Zulu’s iets krijgen, wordt het uitgegeven. Krijgen ze opslag wat ze goed kunnen gebruiken, omdat ze nauwelijks rond komen, nemen ze het hele dorp mee naar de KFC (fastfood). Krijgen ze een huis van de overheid, omdat ze onder armoedegrens zitten, verkopen ze deze meteen voor minder dan de constructiekosten. Aanspreken op hun werk kan bijna niet, want je krijgt het argument altijd terug dat je dat doet omdat ze zwart zijn. Omdat de wet zwarte mensen sterk beschermt, kan je als werkgever geen consequenties aan overtredingen verbinden.
Nu ik in mijn nieuwe project veel met Indiase en ‘coloured’ (mensen van gemengde afkomst) te maken heb (naast het Zulu en witte personeel op Horizon), krijg ik een steeds vollediger beeld van de complexiteit van dit land en de verschillende bewoners. Het komt er een beetje op neer dat iedereen iedereen discrimineert, maar deze mensen toch vrij probleemloos een maatschappij delen. De Bijbel is hier een grote gemene deler in, het geloof (in welke vorm dan ook; katholiek, hindoe, moslim) speelt een belangrijke rol in het dagelijks leven.
Op zondag sluiten we het familieweekend af bij een etentje bij Ocean Basket (visrestaurant in St. Lucia). Bakken met hapjes en alle vis en zeefruit die je kon bedenken, milkshakes en gin tonics. We keken naar de zonsondergang op de steiger waar een nijlpaard nog even koppie omhoog steekt. Nog even verwonderd over het land wat geen lantaarnpalen heeft (en dat is donker!) en waar iedereen alleen een gordel om doet wanneer ze langs een politiewagen rijden. Ondanks de meest afschuwelijke ongelukken waarbij mensen dwars door de voorruit vliegen of als sardientjes onder hun stoel schuiven.
Voor het donker wordt, gaan we nog even voor een ‘wandeling in het park’: gamedrive door het andere safaripark in je achtertuin. Alec grapt dat het erg begint te worden als je de dieren namen gaat geven en ze herkent. We zetten de auto neer en lopen een stuk (met in mijn achterhoofd het idee dat er elk moment een neushoorn uit de bosjes kan springen). We zien mpafa struiken, welke een cultureel belangrijke betekenis voor Zulu hebben. Wanneer een persoon sterft, blijft de geest hangen op de plek waar degene is gestorven. Om de geest een laatste rustplaats te geven, nemen ze de geest aan een tak mee. Omdat geesten snel concentratie verliezen, blijven ze hardop tegen deze tak praten. Deze gaat mee in de bus, op de fiets of desnoods in het vliegtuig (met eigen extra stoel). Eenmaal bij het graf, dekken ze deze toe met doorntakken om te voorkomen dat wilde dieren het graf open woelen.
We hebben geluk met het prachtige avondlicht wat strijkt over het natte gras. De billen van waterbokken als witte signalerende ringen hupsen over de vlakte.
Wegens wat onhandige planning had ik terug bij de farm maar een kwartier om al mijn spullen in de tas te gooien, afscheid te nemen en me voor te bereiden op een leven wat in niks te vergelijken is met mijn afgelopen weken. Het afscheid voelde en is niet definitief, omdat ik de komende weken nog wel een keer langs kom op de farm. Ik heb een tsunami van knuffels gekregen, een verstofte geurkaars die een van de residents ergens vandaan had gejat en stiekem in mijn tas stopte en veel dikke krokodillentranen. Vooral B. de luiaard barstte, toen het kwartje van mijn vertrek na een halve minuut was gevallen, uit in geluidloos gesnik met tandeloze mond open.
Na een klein uurtje rijden kwam ik aan in een andere wereld. Een gigantische villawijk (Bluff) aan de kust ten zuiden van het centrum van Durban. Daar woont (met haar hele Indiase familie) de manager en één van de oprichters van Wentworth Victim Friendly Centre, ‘auntie Jenny’ en in haar tuin staat het huis voor de vrijwilligers. Ik heb hier een huis wat groter is dan ons voormalige appartement in Leiden, waar geen vliegen in de koelkast zitten en de paarden je ’s ochtends niet wakker hinniken. Ik heb me op deze omslag goed voorbereid; de ‘working holiday’ in de warme bubbel op Horizon is omgeslagen in ‘working life’ in mijn eenzame paleis. ’s Avonds kook ik eindelijk weer een maaltijd met verse groenten, maar mis toch stiekem het kleffe Zulu brood en de bonenprut van kokkie. Ik kan hier niet makkelijk zelf even wandelen of erop uit, omdat ik midden in de stad zit (de afstanden in deze stad zijn gigantisch en hoewel je overdag veilig kan rondlopen, neem je betreft toch snel de taxi). Cru wel dat ik vijf weken gesmacht heb naar een leven in de ‘civilisatie’ en nu misschien nog wel afhankelijker ben dan voorheen. Hier is Jenny’s kleinzoon Eli mijn bron van vermaak. Hij komt met zijn grote bruine ogen vertellen over de gouden adelaar die laag over de zwembaden zoeft op zoek naar vis. Ook introduceert hij me aan zijn parkiet Pumkien Gomes, welke mijn vinger er direct probeert af te happen.
Het werk hier is echter wat ik ervan hoopte; uitdagend, spannend en meer op mijn vakgebied. Ik ga met Jenny in haar dikke bak van een auto elke dag naar de straat waar de verschillende units van de organisatie op loopafstand van elkaar staan. Wentworth is van oudsher een wijk waar veel (huiselijk) geweld, middelengebruik en criminaliteit voortkomt. Ik ben echter compleet veilig, want iedereen weet dat ik op het politiebureau werk. In de jaren dat hier studenten en vrijwilligers komen, is er één keer van een NL meisje een telefoon gestolen. Toen werd echter de hele politiebrigade erop uitgestuurd en was haar telefoon binnen een kwartier weer terecht. Jenny en de andere ‘aunties’ kennen elk persoon en elk kind die over straat loopt, rijdt of kruipt. Ze spreken deze allemaal aan met ‘sweetie/my love/baby’. Iedereen die binnen loopt, is bekend of via via bekend.
Ik word meteen aan het werk gezet. Vanwege mijn achtergrond, mag ik meteen beginnen met een counselinggesprek. Ik ben blij dat ik al wat langer ben in dit land ben, want hoewel de problematiek universeel is, is alles toch heel anders. Alleen al de kennis van de meer dan twintig soorten drugs is vrij essentieel als je werkt met verslaafden. Zo wordt een gesprek met een ‘dagga’ verslaafde best lastig als je niet weet wat dagga is (wiet). In het centrum komt van alles aanwaaien. Er komen mensen hun cv uitprinten, een jongen die op school iemand heeft geslagen, werkzoekenden, heroïneverslaafden, vrouwen in gewelddadige relatie, een kind wat ander kind heeft gebeten (en een moeder die vervolgens voor het kind opkomt en het andere kind slaat) of een meisje met ernstige gedragsproblemen. De energie en het geduld wat hier in een zaak wordt gestoken is ongelofelijk. Je ziet naast een enorme range aan ras en godsdienst ook een grote gradatie aan ernst van problematiek. Hoewel er geweld in ernstige graad voorbij komt, zie je ook veel ‘lichtere’ gevallen.
Op mijn derde dag maakte ik mijn eerste intake voor het safehouse mee. Een moeder met drie kinderen, koffers in de auto en voor het eerst in vier jaar kwam ze naar buiten over het huiselijk geweld. Het was zo intens dat het leek op een filmscène. Deze moeder was blank (ik had aanvankelijk het beeld dat ik met veelal zwarte cliënten zou werken) en zat gebroken in duizend stukjes op de bank. Ze was zo wanhopig dat ze op het punt stond om zichzelf voor de bus te gooien. Daar zag ik pas echt wat de abstracte term ‘enpowerment’ voor staat. In NL zou er met behulp van motiverende gespreksvoering, empathie etc. voorzichtig gestuurd worden naar een besluit en alles in overleg, met bevestiging van gevoelens. Ik was verbaasd hoe nuchter auntie Jenny en auntie Wendy (vanuit -helaas- veel ervaring) erbij zaten, af en toe een instemmend knik of gehum, maar niet meegaand in de hartverscheurende snikken en hopeloosheid. Het was: ‘you have to get yourself together’ en wij gaan je daarmee helpen. Nuchter en kordaat werd er een plan gemaakt voor het aanvragen van kinderbijslag, geboortebewijzen uit het huis halen, protection order aanvragen tot heel praktisch: ‘hoe komt je zoon vanuit het safehuis morgen naar school?’. Het is directief, op een manier waarop je moeder je streng zou toespreken: ‘don’t you dare go back to him girl!’.
In het foto-album heb ik weer wat nieuwe foto's toegevoegd!

Liefs, Marian
De foto's zijn prachtig , vooral die van het mestrolkevertje. Oef , dat kostte even wat moeite om dit woord door de autocorrectie te krijgen.
Duizend kussen ,
Joop
Met veel aandacht lees ik je uitgebreide verslagen. Ik ben het met je vader eens, dat je er wel een boek van zou kunnen maken.
Ik sta op het punt een uitnodiging te sturen voor een "warme hap" op 11 februari in Oldeberkoop.Bedankt voor de prachtige kaart (8 dagen onderweg, viel dus erg mee). Liefs, Pake.